Opleiding 'Inleiding tot het recht voor gerechtelijke experts'
Toelichting programma
Het juridisch programma is opgebouwd uit twee grote delen.
In het eerste deel (zie programma, I t.e.m. VII) komen uitvoerig de formele rechtsregelen of procedurevoorschriften aan bod die de gerechtelijke expertise - zowel in strafzaken als in privaatrechtelijke zaken - en het buitengerechtelijk deskundigenonderzoek beheersen. Tevens wordt gerefereerd aan een aantal afwijkende regelen voorgeschreven door bijzondere rechtsplegingen.
In het tweede deel (zie programma, IX) worden diverse noties van materieel recht die voor deskundigen en het door hen op te stellen rapport van belang zijn, omstandig toegelicht. Sommige onderdelen van dit programmaluik zijn optioneel. Deelnemers kunnen, rekening houdend met hun professionele achtergrond, zelf kiezen welke van deze optionele onderdelen zij wensen te volgen.
Als overgang tussen deze beide delen (zie programma, VIII) wordt stilgestaan bij twee delicate vraagstukken in het raam van deskundigenonderzoeken, m.n. de problematiek van de plichtenleer van de deskundige en zijn beroepsgeheim.
Het programma wordt afgerond met twee case-studies, waarin de behandelde topics op een concrete en praktische wijze worden geïllustreerd.
Formeel recht
2. Allereerst wordt de deelnemer vertrouwd gemaakt met de hoofdbeginselen van gerechtelijke organisatie in burgerlijke zaken en in strafzaken. De piramidale opbouw van deze organisatie en de belangrijkste bevoegdheden van de onderscheiden actoren/rechtscolleges worden hier besproken.
3. De verdere uiteenzetting wordt beheerst door het onderscheid dat dient gemaakt te worden tussen de gerechtelijke expertise - het deskundigenonderzoek dat door een magistraat wordt bevolen en waarbij de expert optreedt als diens raadsgever - en de buitengerechtelijke expertise. Dit laatste type van deskundigenonderzoek vertoont diverse verschijningsvormen : de expert die optreedt hetzij als (technisch) raadsman van zijn opdrachtgever, hetzij als in een der minne tussen partijen aangesteld deskundige (die al dan niet bindend adviseert), hetzij als arbiter.
Een tweede belangrijk onderscheid dat als een rode draad door de verdere toelichting loopt, is dit tussen de gerechtelijke expertise in burgerlijke zaken, resp. strafzaken. In het verleden oordeelde het Hof van Cassatie herhaaldelijk dat de in het Gerechtelijk Wetboek vervatte regelen die het deskundigenonderzoek in burgerlijke, sociale, fiscale en handelsrechtelijke geschillen beheersen, niet van toepassing zijn op de door een strafgerecht bevolen expertises. Deze zienswijze hield verband met het fundamentele verschil in de aard van de rechtspleging. De burgerlijke procedure is op een accusatoire leest geschoeid : partijen zijn meester van het geding en de rechter krijgt, in de regel, een neutrale rol toebedeeld. De strafprocedure steunt daarentegen op een inquisitoir stramien, waar de rechter op de voorgrond staat. Enkele recente arresten van het Arbitragehof hebben dit onderscheid echter duidelijk gerelativeerd. Óók het Hof van Cassatie heeft in enkele recente arresten zijn zienswijze bijgesteld. Deze evolutie maakt uiteraard het voorwerp uit van een grondige bespreking.
4. Rekening houdend met de aangestipte verschilpunten worden vervolgens alle aspecten van de tussenkomst van een deskundige - vanaf zijn aanstelling tot en met de regeling van de aan de expertise verbonden kosten - in dit programmaonderdeel belicht.
Hierbij zal o.m. een antwoord geformuleerd worden op vragen zoals hoe iemand (gerechtelijk) expert wordt (aan welke bekwaamheidsvereisten dient beantwoord te worden ? welk is het statuut van de deskundige ? welke is zijn verhouding met partijen, resp. de rechter ? kan een rechtspersoon als deskundige worden aangesteld ? dient de aangewezen deskundige persoonlijk het volledige onderzoek te verrichten of kan hij zich laten bijstaan ?, wat zijn de gevolgen van de aanstelling - in strafzaken - door de Procureur des Konings, de onderzoeksrechter, resp. de rechter ten gronde), hoe de deskundige wordt aangesteld (met o.m. de weerslag daarvan op zijn opdracht en de door hem na te leven vormvoorschriften). Verder wordt, zeer gedetailleerd toegelicht hoe het deskundigenonderzoek dient te verlopen, vanaf de installatievergadering tot aan de neerlegging van het eindverslag ter griffie.
De nodige aandacht wordt besteed aan mogelijke incidenten in de loop van, resp. na afloop van het deskundigenonderzoek (b.v. de uitbreiding van de opdracht, aanvullend onderzoek, tussenkomst van nieuwe partijen, vervanging of wraking van de deskundige) evenals aan de problematiek van de kosten- en ereloonstaat van de deskundige. Praktijk en wettelijke voorschriften sporen ter zake niet steeds gelijk. Op deze divergenties wordt gewezen en mogelijke toekomstige tussenkomsten van de wetgever worden aangestipt.
Tevens wordt omstandig ingegaan op de vraagstukken van tegenwerpelijkheid en bewijswaarde van het deskundigenonderzoek, de mogelijke sancties t.a.v. het verslag van de deskundige en t.a.v. de expert zelf.
Materieel recht
a. Verbintenissenrecht
5. In een eerste onderdeel (zie programma, IX, nr. 13) wordt allereerst het onderscheid tussen strafrechtelijke en burgerrechtelijke aansprakelijkheid, contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid behandeld. Vervolgens wordt het verband tussen de verschillende schadevergoedingsstelsels die een rol spelen bij de vergoeding van ongevalschade toegelicht : burgerrechtelijke aansprakelijkheid en aansprakelijkheidsverzekering, sociale zekerheid en rechtstreekse verzekering. Tenslotte wordt de problematiek van pluraliteit van aansprakelijken onderzocht, met het onderscheid tussen hoofdelijke aansprakelijke en aansprakelijke in solidum.
6. Het tweede onderdeel (zie programma, IX, nr. 14) behandelt de voorwaarden en gevolgen van de contractuele aansprakelijkheid, waarbij het onderscheid tussen middelen- en resultaatsverbintenis een belangrijke rol speelt. Overmacht en andere gronden van rechtvaardiging leiden tot bevrijding. Bij wanprestatie kan herstel in natura en/of schadevergoeding worden gevorderd. De algemene beginselen betreffende de berekening van de vergoeding wegens contractuele wanprestatie worden uiteengezet. Tevens wordt een overzicht gegeven van de regelen i.v.m. de gerechtelijke ontbinding en de niet-uitvoeringsexceptie bij wederkerige contracten. Tot slot wordt gewezen op de mogelijkheid om het bedrag van de schadevergoeding bij contract forfaitair vast te stellen (strafbeding) of om de aansprakelijkheid contractueel te verlichten (exoneratiebeding).
7. Bij het onderzoek van de voorwaarden en gevolgen van de buitencontractuele aansprakelijkheid (zie programma, IX, nr. 15) wordt het fout-begrip in het algemeen, de zorgvuldigheidsnorm en de fout door overtreding van een wettelijke bepaling, alsook de gronden van rechtvaardiging toegelicht. Bijzondere aandacht gaat naar de beperking van persoonlijke aansprakelijkheid van organen, van aangestelden en uitvoeringsagenten en van werknemers. Soms is men objectief aansprakelijk, zelfs al werd er geen fout begaan. In dit verband wordt de aansprakelijkheid van de aansteller voor zijn aangestelden en de aansprakelijkheid voor gebrekkige zaken en gebrekkige producten voor het voetlicht geplaatst. Het vereiste causaal verband tussen fout en tussen een tot objectieve aansprakelijkheid aanleiding gevende gebeurtenis en de schade, komt eveneens aan bod. Ook de gevolgen van deze aansprakelijkheid (herstel in natura en schadevergoeding) worden toegelicht.
8. In een vierde topic (zie programma, IX, nr. 16) worden de algemene regelen i.v.m. de contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid geconcretiseerd voor wat betreft de aansprakelijkheid van beoefenaars van vrije beroepen (arts, tandarts, dierenarts, ...). In het bijzonder wordt ingegaan op de contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid die de deskundige zelf kan oplopen.
9. In een vijfde programmaonderdeel (zie programma, IX, nr. 17) worden de voorwaarden toegelicht waaronder een nadeel kan beschouwd worden als vergoedbare schade en dit zowel in het contractueel als in het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht. Voorts worden een aantal algemene beginselen inzake de begroting van schade besproken. Hierbij wordt ingegaan op de vergoedende en gerechtelijke interesten die het nadeel moeten compenseren dat de benadeelde lijdt door de vertraging waarmede de gerechtelijke uitspraak wordt geveld of uitgevoerd.
10. Als zesde onderwerp (zie programma, IX, nr.18; optioneel) komt de begroting van (menselijke) schade in het aansprakelijkheidsrecht aan bod. Bijzondere problemen i.v.m. de begroting van zaakschade, economische en lichamelijke schade worden aan de hand van praktijkvoorbeelden besproken. Tevens wordt toegelicht welke informatie door de deskundige omtrent die verschillende schadeposten dient te worden verschaft om de rechter toe te laten de hem voorliggende betwisting te beslechten.
b. Sociaal Recht (optioneel)
11. Verschillende sectoren van de sociale zekerheid vergoeden de risico's arbeidsongeschiktheid en verlies of vermindering van zelfredzaamheid. Die vergoedingswijzen zijn niet geharmoniseerd. Zo is de regeling verschillend naar gelang men te maken heeft met de arbeidsongevallenregeling, de beroepsziektenregeling of de ziekteverzekering. De eerste twee kennen bv. periodes van tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid, terwijl men in de ziekteverzekering te maken heeft met primaire arbeidsongeschiktheid en invaliditeit. De wijze van evaluatie en vergoeding van de arbeidsongeschiktheid verschilt van regeling tot regeling. Ook de regeling van tegemoetkomingen aan gehandicapten bevat specifieke voorzieningen. Bij de bespreking van de evaluatie en vergoeding van arbeidsongeschiktheid en behoefte van hulp aan derden in het sociaal recht (zie programma, IX, nr. 19), worden de diverse vergoedingswijzen uiteengezet en met elkaar vergeleken. Bovendien worden zij geplaatst tegenover het systeem van gemeenrechtelijke vergoeding. Toegelicht wordt in welke mate die socialezekerheidsprestaties cumuleerbaar zijn met gemeenrechtelijke schadeloosstelling en over welk recht van verhaal de socialezekerheidsinstellingen beschikken.
12. Bij het begroten van gemeenrechtelijke schadevergoeding moet rekening worden gehouden met het feit dat de schadelijder gerechtigd kan zijn op een rustof overlevingspensioen. Zo kan het inkomensverlies dat wordt geleden de pensioenrechten ongunstig beïnvloeden, terwijl omgekeerd een overlevingspensioen gedeeltelijk de schade ontstaan uit overlijden kan dekken. Uiteengezet wordt welke de voorwaarden zijn voor rust- en overlevingspensioenen en hoe die worden berekend. De weerslag van en op gemeenrechtelijke schadeloosstelling wordt eveneens bekeken (zie programma, IX, nr. 20).
c. Contractenrecht (deels optioneel)
13. Inzake koop (zie programma IX, nr. 21; optioneel) gaat de aandacht hoofdzakelijk uit naar de regels m.b.t. de prijsvaststelling, de leveringsplicht, de problematiek van de verborgen gebreken en de productaansprakelijkheid.
14.Wat het huurrecht betreft (zie programma, IX, nr. 22; optioneel) komen aan bod : de basisbegrippen van het huurrecht, de kwaliteitsnormen waaraan een woning moet voldoen (gemeen recht, woninghuurrecht en Vlaamse Wooncode), het onderscheid tussen huurders- en verhuurdersherstellingen, de juridische draagwijdte van de omstandige plaatsbeschrijving, de betwistingen bij het einde van een huurovereenkomst.
15. In het optievak aanneming (zie programma, IX, nr. 23) worden vier basisthema's belicht :
- Bij wijze van inleiding wordt het aannemingscontract gesitueerd binnen het grotere geheel van de dienstencontracten. Aldaar wordt o.m. aandacht besteed aan de contractsvorming, de prijsbepaling en de verbintenissen van de partijen.
- Vervolgens wordt binnen het thema "(bouw-)aanneming en (buiten-)contractuele aansprakelijkheid" de aansprakelijkheid besproken van de verschillende protagonisten bij het bouwproces. Daarbij gaat vooral aandacht naar de gevolgen van de voorlopige en definitieve oplevering, de problematiek van de (zichtbare en verborgen) gebreken, de tienjarige aansprakelijkheid en de aansprakelijkheidsverdeling tussen architecten, (onder)-aannemers en studiebureaus.
- In een derde thema wordt een overzicht gegeven van de zgn. "Wet Breyne".
- Tenslotte worden in een laatste deel enkele bouwtechnische verzekeringen zoals de ABR-verzekering, de controle- of tienjarige aansprakelijkheidsverzekering en de beroepsaansprakelijkheidsverzekering nader bekeken.
16. De uitvoering van de aan een deskundige verleende opdracht kan aanleiding geven tot een minnelijke regeling tussen de gedingvoerende partijen d.m.v. een tussen hen gesloten dading. De deskundige zal hieraan, althans vanuit technisch oogpunt, zijn bijstand dienen te verlenen. Het is dan ook onontbeerlijk dat elk deskundige de essentiële noties inzake dading kent (zie programma, IX, nr. 24). Onder welke voorwaarden wordt een dading geldig gesloten ? Hoe wordt zij opgesteld ? Welke gevolgen heeft een dading voor partijen ?
d. Verzekeringsrecht
17. In onze samenleving is de verzekeringsgraad vrij hoog, zodat bij de beslechting van een conflict tussen partijen vaak in een of ander opzicht een verzekeringsdekking gemoeid is. De gerechtelijk en buitengerechtelijk expert ervaart zulks des te meer, nu hij zijn rol bijna steeds speelt in een kader waarin het fenomeen verzekering zoniet prominent, dan toch occult, aanwezig is. De expert wenst niet alleen vanuit verzekeringsoogpunt inzicht te hebben in zijn persoonlijke rechtstoestand bij de uitoefening van zijn deskundige activiteit (verzekering van zijn beroepsaansprakelijkheid, verhouding met de rechtsbijstandsverzekeraar). De deskundige heeft vooral nood aan een goed begrip van de verzekeringsrechtelijke context van zijn opdracht, wat hem zal toelaten om zijn taak naar behoren en volgens de gestelde verwachtingen te uit te voeren en ook beter de weerslag van zijn bevindingen en besluiten op de rechten van partijen in te schatten. Bepaalde onderdelen van de deskundige opdracht kunnen immers rechtstreeks door verzekeringsrechtelijke vragen ingegeven zijn.
18. Een eerste programma-onderdeel wil de deelnemer wegwijs maken in het vrij ondoorzichtige kluwen van verzekeringswetgeving en -reglementering en stipt de relevante wetsbepalingen en -teksten aan. Daarbij wordt de praktijk van de zelfregulering in de verzekeringssector niet uit het oog verloren : ook de akkoorden, procedures en uniforme voorwaarden voor bepaalde verzekeringstakken uitgewerkt in de schoot van de Beroepsvereniging van Verzekeringsondernemingen, komen aan bod. De grote beginselen waarop het verzekeringsrecht is gesteund en de algemene regels waaraan het gehoorzaamt, worden uiteengezet : de mededelingsplicht van de verzekerde en de verzwaring van het risico, de voorafgaande taxatie en het vergoedend beginsel bij oververzekering en de evenredigheidsregel bij onderverzekering, dekkingsverval of verhaal bij grove fout of opzettelijk schadegeval, preventieplicht en vergoeding van reddingskosten boven de dekkingsgrens, subrogatie van de verzekeraar, medeverzekering en samenloop van verzekeringen enz. Vermits deze aan andere regels gehoorzamen, wordt het onderscheid tussen de verschillende grote categorieën van verzekeringen (indemnitair/forfaitair en zaak/aansprakelijkheid) scherp gesteld : de regels van de schaderaming verschillen bijvoorbeeld naargelang deze in het kader van de aansprakelijkheidsverzekering dan wel in het kader van de eigen schade verzekering geschiedt.
19. Een tweede onderdeel belicht de bijzondere regels van het verzekeringsrecht op het vlak van de geschillenbeslechting (bewijs, kwitantie en dading, verjaring, arbitrage) en de rechtsverhoudingen in de aansprakelijkheidsverzekering (in- en uitlooprisico, rechtstreekse vordering, leiding van het geschil, verhaal), in het bijzonder bij verkeersongevallen. Het merendeel van de voertuig- (B.V.V.O. -expertiseovereenkomst) en medische expertises speelt zich immers in dit kader af.
20. Een derde onderdeel behandelt tenslotte de andere bijzonder gereglementeerde verzekeringscontracten die voor de deskundige zeer relevant zijn : de levens- en ongevallenverzekering (beroepsgeheim, genetisch onderzoek en post mortem bij medische expertise), de brandverzekering (schaderaming) en de rechtsbijstandsverzekering (vrije keuze raadgevend expert, betaling ereloon, objectiviteitsbeding).
e. Strafrecht
21. Hier wordt een kort overzicht geboden van de essentiële grondslagen van het Belgisch strafrecht zoals die terug te vinden zijn in Boek I van het Strafwetboek en verdere uitwerking hebben gekregen in het Boek II en in de bijzondere strafwetten. Aan de deelnemers wordt inzicht verschaft in de zogenaamde constitutieve elementen van het misdrijf. (materieel, moreel element van het misdrijf en wederrrechtelijkheid) die alle verenigd dienen te zijn om tot een gepleegd misdrijf te kunnen besluiten. Tegelijkertijd worden omstandigheden (rechtvaardigingsgronden, verschoningsgronden) besproken die een invloed kunnen uitoefenen op de strafwaardigheid of schuldbekwaamheid van de dader. Tenslotte maken de deelnemers kennis met het in het Belgische recht bestaande straffenarsenaal en leren zij de modaliteiten begrijpen waaronder straffen kunnen worden uitgesproken.
